Wedstrijdinformatie

Nationaal Turn Systeem, ‘NTS’.

Bij de turnsport in Nederland wordt gebruikt gemaakt van het Nationaal Turn Systeem (NTS). Dit turnsysteem bestaat uit de oefenstof en elementen die turnsters uitvoeren op regionale en landelijke wedstrijden. De opgestelde richtlijnen van dit Nationaal Turn Systeem zorgen ervoor dat er een goede meting kan worden gemaakt welke turnster het beste kan turnen. De oefenstof en regels zijn gemaakt aan de hand van de regels van de internationale turnfederatie, het FIG genoemd. Alle turnsters die uit gaan komen op wedstrijden, zowel regionaal als landelijk, zullen te maken krijgen met het NTS.

Elke vier jaar, vasthoudend aan de cyclus van de Olympische Spelen, wordt het NTS aangepast of vernieuwd. Het systeem uit een voorgeschreven gedeelte en een keuze oefenstof.

Voorgeschreven oefenstof

De voorgeschreven oefenstof kent de leeftijdscategorieën:

· Instap

· Pupil 1

· Pupil 2

· Jeugd 1

In de voorgeschreven oefenstof wordt in niveaus geturnd. De niveaus zijn verdeel in nationale niveaus, afgekort met de letter N, en districtniveaus, afgekort met de letter D. Turnsters op districtsniveau komen alleen uit op regionale wedstrijden en turnsters op nationaal niveau komen zowel op regionale wedstrijden als op landelijke wedstrijden uit. In de districtsniveaus en nationale niveaus heb je ook nog variatie in moeilijkheid van de oefenstof. Hoe lager het cijfer achter de letter D of N, hoe hoger het niveau is.

Turnsters zijn tijdens de periode dat ze uitkomen in de voorgeschreven oefenstof vrij in welk niveau ze inschrijven. In de leeftijdscategorie Jeugd 1 maak je een definitieve keuze over je verder loopbaan in de turnsport. Na Jeugd 1 is de turnster niet meer vrij om zelf te bepalen welk niveau zij doet.

Keuze oefenstof

Vanaf jeugd 1 kom je doormiddel van doorstroming terecht in de keuze oefenstof.  De keuze oefenstof kent de leeftijdscategorieën:

· Jeugd 2

· Junior

· Senior

Deze oefenstof is ingedeeld in divisies, waarbij de eerste divisie het hoogst is en de zesde divisie het laagst. Iedere divisie kent een oplopend niveau van jeugd 2 naar senior.  De eredivisie behoort niet tot het NTS 2013, dit omdat deze categorie de regels van het FIG volgt. De keuze oefenstof bestaat niet uit vaste oefeningen zoals de voorgeschreven oefenstof, maar uit supplementen. In de supplementen A tot en met H wordt aangegeven waaruit een oefening in de keuze oefenstof allemaal moet bestaan. Deze supplementen zijn opgesteld aan de hand van het FIG.

De turnsters zijn ingedeeld in leeftijdscategorieën op basis van hun geboortejaar (zie tabel 1).

Binnen de leeftijdscategorieën worden de turnsters opgesplitst in verschillende niveaus. Tot jeugd 1 is dit bij Turning Winsum D (district) 1 tm 4, waarbij D4 het laagste niveau en D1 het hoogste niveau. Daarnaast bestaat er N (nationaal) 1 tm 4. Deze worden bij Turning Winsum niet geturnd.

Vanaf jeugd 1 is er binnen de leeftijdscategorieën een indeling in supplementen. Hoe verder in het alfabet, hoe lager het niveau wordt.

Het niveau van een turnster ontstaat dus door een combinatie van geboortejaar en een D- niveau of supplement, bv Pupil 2 D2 of Junior suppl E.

Omdat er zoveel turnsters en niveaus zijn en deze onmogelijk allemaal op 1 dag kunnen turnen, deelt de KNGU de niveaus in in NTS A, NTS B en NTS C (zie tabel 2). Over het algemeen turnen de jongere turnsters en de wat lagere niveaus in de NTS C, de hoogste niveaus turnen in de NTS A.

Jureren en uitleg cijfer

Turnen is een jurysporten: een turnster doet een oefening en krijgt daar een cijfer voor. Door deze cijfers kunnen oefeningen met elkaar worden vergeleken, en een winnaar worden aangewezen. Maar… hoe geef je zo’n cijfer?

Beoordelen van turnen

Voor elk turnonderdeel is een gewenste uitvoering vastgesteld. Voor elke afwijking daarvan is een vaste aftrekwaarde. Bijvoorbeeld in de handenstand, waar de armen gestrekt moeten zijn. Als de armen licht gebogen zijn, dan geeft dat 0,1 punt aftrek, matig gebogen 0,3 punten en sterk gebogen 0,5 punten. Je moet dus weten hoe een onderdeel er idealiter uit moet zien, en wat je af mag trekken voor afwijkingen.

Daarnaast wordt er gekeken naar de volgorde in de oefening en naar zaken om de oefening heen (zoals presenteren voor en na de oefening). Bij keuze-oefenstof, dat zijn de hoogste nivo’s, is daarnaast de inhoud (moeilijkheidsgraad) van de oefening belangrijk.

Jurycursus

Als het je leuk lijkt kun je bij de KNGU een jurycursus volgen. Er zijn bij Turning Winsum meerdere juryleden. Ben je nieuwsgierig naar hun ervaringen dan kun je ze gerust een even vragen..

Je hebt geen voorkennis nodig voor de cursus, maar de ervaring leert dat het wel zwaar kan zijn als je nog geen enkele kennis van turnen hebt. Als je vroeger zelf hebt geturnd of  je hebt je verdiept in het turnen van je kinderen, dan is het doorgaans goed te doen.

Jureren in de praktijk

Als je de cursus gedaan hebt dan mag je op wedstrijden jureren.  Als jurylid beoordeel samen met 1 of 2 ander(e) jurylid/leden, één toestel. Vooraf krijg je alle benodigde informatie.
Is dit wat voor u?

Wie het leuk vindt om zich met turnen bezig te houden, is jureren een leuke bezigheid. Voor ouders is het een mooie gelegenheid betrokken te raken bij de sport van zoon of dochter. Het is dankbaar werk!

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met bestuur of selectieleiding.

Een juryopleiding duurt maximaal 18 uur en sluit je af met een examen. Naast de instructie-avonden zullen er opdrachten mee gegeven worden om thuis te doen om zo het jureren onder de knie te krijgen. Voor de zelfstudie kun je uitgaan van gemiddeld twee uur per week gedurende de opleiding. U start altijd met de TD1 cursus als u deze heeft gehaald kunt u al verplichte oefenstof jureren. Voor de andere niveaus kunt u daarna nog de TD2 en de TD3 cursus volgen.

 

Uitleg cijfer

HOE KOMT EEN CIJFER BIJ DAMES TURNEN TOT STAND?

Het cijfer dat door de jury in de turnsport wordt gegeven is af en toe moeilijk te begrijpen. Zeker nu er boven de 10.00 punten gescoord kan worden voor een oefening. Daarom maar eens een korte uitleg over hoe een cijfer tot stand komt.

D-score en E-score

Een cijfer is opgebouwd uit een D-score en een E-score. De D staat voor difficulty wat moeilijkheid betekent. Iedere oefening heeft zijn eigen moeilijkheidsgraad. De E staat voor excercise wat uitvoering betekent. De E-score start in principe vanaf 10 punten. De jury trekt van deze 10 punten de fouten af.

Verplichte/Voorgeschreven oefenstof

Voor de leeftijdscategorieën instap t/m jeugd 1 zijn er verplichte oefeningen. De categorie waar je in zit hangt af van je geboortejaar. De jongsten zijn de pré-instappers, daarna komen de instappers, de pupillen 1 en 2 en de jeugd. Iedereen van dezelfde leeftijd in hetzelfde niveau turnt dus dezelfde oefening. Doordat de oefeningen verplicht zijn, is de basis D-score van iedere oefening vooraf al bekend. Als de turnster alle onderdelen herkenbaar uitvoert heeft zij bijvoorbeeld een D-score van 4.40 (dit varieert van 3,00 tot 4,80). Zou de turnster alle onderdelen ook nog perfect uitvoeren krijgt zij 10 punten voor de uitvoering (de E-score). De hoogste score die de turnster kan halen is de D en de E score bij elkaar opgeteld, dus een 14.40. Er zijn vier basisniveaus op districtsniveau: D1, D2, D3 en D4 en vier op Nationaal niveau: N1, N2, N3 en N4. Turning Winsum doet mee op districtsniveau.

Bonus/malus bij de D-score

Voor sommige onderdelen staat een vervangend onderdeel in de oefenstof. Dit kan een makkelijker of een moeilijker onderdeel zijn wat natuurlijk invloed heeft op de D-score. Voorbeeld: bij balk mag bij sommige niveaus gekozen worden voor een koprol of een radslag op de balk. De koprol wordt gezien als een makkelijker onderdeel en dat betekent dat de D-score met 0.30 omlaag gaat (malus). De maximaal haalbare score voor deze oefening wordt dan 14.10. Het kan uiteraard ook andersom. Als de turnster de overslag op vloer doet in plaats van een arabier die als basis in de oefening staat, gaat de D-score omhoog met 0,30 (bonus).

N-score

Binnen de verplichte oefenstof zijn er een aantal mogelijkheden ingebouwd die een turnster in staat stelt tot een hogere D-score te komen. Wat er ook kan gebeuren is dat een turnster een onderdeel vergeet of bewust niet doet. Als de turnster het onderdeel echt niet heeft geprobeerd dan gaat er 0.3 van de D-score af. (De oefening wordt makkelijker want er wordt een onderdeel niet uitgevoerd). Dat is echter niet het enige. Er gaan dan ook 2 punten van de neutrale aftrek af. Dit is de N-score. Het niet uitvoeren van een element leidt in totaal dus tot 2.30 punten aftrek.

E-score

Terug naar de E-score. Zoals al gezegd worden van de E-score de foutjes afgetrokken. Valt een turnster dan kost dit haar 1,0 punt. Een kleine wiebel op balk is 0,10 punt eraf, een middelmatige wiebel is 0,3 en een hele grote wiebel is een 0,5 punt eraf. Zo zijn er een heleboel dingen waar de jury naar kijkt en waarvoor aftrek geldt als de onderdelen niet correct worden uitgevoerd.

De jury

In geval van twee juryleden jureren zij allebei de oefening. De jury mag een halve punt uit elkaar zitten wat betreft de aftrek van de E-score. Vervolgens wordt het gemiddelde genomen van de aftrek van de juryleden en dit wordt de totale aftrek. Voor elk toestel is er voor elk niveau (in de verplichte oefenstof) een oefening gemaakt met een basis D-score. Hoe hoger het niveau hoe moeilijker de oefening maar ook hoe hoger de basis D-score.

De keuze oefenstof

Vanaf de categorie jeugd 2 is er keuze oefenstof. Dit gaat weer op geboortejaar. En dit begint zo’n beetje vanaf de middelbare school. Daarna zijn de categorieën: junior en senior. Ook hier zijn weer veel verschillende niveaus: A tot en met H. Turning Winsum doet mee met niveau C tot en met H, waarbij H het laagste niveau is en A het hoogste niveau.

Samenstellingseisen

Deze oefenstof zit iets anders in elkaar dan bij de verplichte oefenstof wat betreft de D-score. In de keuze oefenstof mag er zelf gekozen worden welke onderdelen in een oefening worden geturnd. Er gelden natuurlijk wel bepaalde samenstellingseisen waaraan de oefening moet voldoen. Dit noemen we afgekort SE. Voor elk niveau zijn er vijf SE, elke SE kan maximaal een halve punt opleveren. Dit betekent dat wat betreft de samenstelling er dus maximaal 2,50 punt kan worden verdiend door alle SE te voldoen. Deze 2,5 punt worden opgeteld bij de D-score. Mis je een SE, dan kost het je een halve punt per eis. Per niveau zijn er andere eisen.

Elementen in de oefening

Naast de samenstelling gaat het natuurlijk om welke elementen er worden geturnd. In het FIG (het regelement met alle bestaande elementen) staan de elementen ingedeeld op moeilijkheidswaarde. De makkelijkste zijn de TA elementen dit zijn Toegevoegde A elementen. Deze leveren 0,1 punt op. Vanaf niveau D zijn TA elementen niets meer waard. Daarna komen de A elementen. Deze zijn ook 0,1 waard. Daarna worden de elementen steeds moeilijker en worden ze steeds 0,1 meer waard. Het gaat zelfs tot G elementen. Maar deze zijn zó moeilijk dat je ze zelfs op de Olympische Spelen bijna nooit ziet. Per niveau loopt het aantal elementen die je moet turnen op. Een turnster moet minimaal 6 of 7 elementen turnen, meer mag. Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan om de bepaalde eisen of meer verbindingswaarde (zie onder) te halen. Elk onderdeel wordt overigens wel beoordeeld. Dus ook al tellen alleen de hoogste 7 elementen, als er 14 worden geturnd kan er in alle 14 worden afgetrokken. Als de turnster maar 4 of 5 elementen turnt (te weinig dus) gaat haar E-score met 4 punten omlaag. Zij kan dan dus maar voor de E-score maximaal een 6 halen. Dit gebeurt wel eens als een oefening halverwege door een val wordt onderbroken en de turnster niet meer verder kan.

Verbindingswaarde

In de niveaus kun je ook nog punten halen door elementen aan elkaar te koppelen. Als een turnster bijvoorbeeld een B element in combinatie met een A element turnt krijgt ze hier ook nog 0,1 punt extra voor. Stel dat een turnster nog tweemaal een verbindingswaarde (vw) heeft gehaald dan krijgt ze dus hier nog 0,2 extra voor.

Ik hoop dat het zo iets duidelijker is over hoe een cijfer tot stand komt.